Toen de Nederlanders Curaçao in 1634 van de Spanjaarden veroverden, was de lagune ten westen van Caracasbaai – het huidige Jan Thielgebied – een van de belangrijkste zoutmeren op het eiland. Tegen het einde van de zeventiende eeuw werd tussen Caracasbaai en de lagune de plantage Damasco of Damascus opgezet. Door zijn ligging aan de lagune ontwikkelde Damasco zich tot een van Curaçao’s belangrijkste zoutplantages. Het gebied is genoemd naar de eerste bekende eigenaar, Jan Thielen. De plantage was vanaf de eeuwwisseling tot 1735 eigendom van de familie Thielen. Daarna is het in handen geweest van verschillende eigenaren, tot 1915. In dat jaar werd de plantage verkocht aan de familie Perret Gentil. Deze eigenaren gingen, enkele decennia later, over tot verkaveling van het oostelijke deel. In 1979 werd de plantage verkocht aan APNA (het lokale pensioenfonds).

BLOEIPERIODE
In de achttiende eeuw kende de plantage een bloeiperiode. Naast de zoutproductie werd er aan landbouw en veeteelt gedaan. Er werd onder meer maïs, katoen, gras en indigo geproduceerd. De veestapel bestond uit geiten, schapen, kippen, kalkoenen, duiven, paarden en ezels. Het werk op het land werd verricht door een veertigtal slaven. In de loop van de negentiende eeuw liep de productie, en daarmee de waarde van de plantage, terug. Dit was het gevolg van een tekort aan regen en de algemene economische malaise op het eiland.

GROTERE SCHAAL
In de twintigste eeuw wist Caspar Arturo Perret Gentil, een toegewijd planter, de plantage tot een uitzonderlijk welvaartsniveau te brengen. Hij benutte de mogelijkheden van de plantage ten volle en wist de plantageactiviteiten naar een grotere schaal te tillen. Zo was er in die tijd ook een oranjerie met meer dan 300 bomen, waar laraha sinaasappels werden gekweekt, voor hun schillen. Deze sinaasappelschillen werden naar Frankrijk geëxporteerd, voor de productie van likeur en parfum. Perret Gentil hield zich zelf niet bezig met de verbouw van maïs. Hij gaf toestemming aan verschillende personen om op delen van zijn land maïs te verbouwen. De maïsstengels die hij in ruil voor deze gunst ontving, werden aan het vee gevoerd. De veestapel bestond op dat moment uit 453 koeien en 1000 geiten. De melkopbrengst werd gedistribueerd aan een vaste groep afnemers. Perret Gentil heeft, door de constructie van nieuwe zoutpannen, de zoutproductie behoorlijk kunnen verhogen. Het zout was van een opvallend goede kwaliteit, geschikt voor menselijke consumptie. Door zeeschepen toegang te bieden tot de ingang van de lagune, wist hij het transport via de stad te omzeilen. De zoutzakken werden naar de schoeners getransporteerd via kleine bootjes, waarna de schepen direct konden wegzeilen.

BADPLAATS
Behalve een toegewijd planter, was Casper Perret Gentil een uitstekende zakenman. Hij runde ook een begrafenisonderneming, waarvoor hij zijn paarden inzette. Daarnaast begon hij, als eerste, met de exploitatie van de recreatieve mogelijkheden van het Jan Thiel strand, dat hij in de jaren twintig tot een badplaats ontwikkelde. Het is sinds die tijd dat Jan Thiel zich is gaan ontwikkelen tot het populaire woon- en recreatiegebied dat het nu is.